Joris Casselman over zijn boek `Van jeneverellende tot Tournée Minérale´:

“Gezondheid moet nog steeds vaak wijken voor economische belangen.”

Joris Casselman publiceerde eind 2019 het boek ‘Van jeneverellende tot Tournée Minérale: 150 jaar aanpak van alcoholproblemen in Vlaanderen (1868-2018)’. Casselman is psychiater en criminoloog. Aan het begin van zijn carrière in de hulpverlening zag hij van dichtbij welke problemen overmatig alcoholgebruik kan veroorzaken.

'Ik werkte in een psychiatrisch ziekenhuis toen de houding tegenover mensen met alcoholproblemen zeer negatief was. In die tijd was het nog gebruikelijk dat mensen met alcoholproblemen gecolloqueerd werden. Men vond hen zwakkelingen of psychopaten en er heerste ook de mening dat elke vorm van hulp hopeloos was. Men vroeg zich af waarom ik me daarvoor interesseerde. Toen al kiemde de hoop dat ik ooit de tijd zou vinden om de geschiedenis na te pluizen op zoek naar de wortels van die antihouding’.

In uw zoektocht ging u 150 jaar terug in de geschiedenis. Vanwaar die 150 jaar?

Joris Casselman: Ik kwam op het jaar 1868 uit omdat de toenmalige minister van justitie Walthère Frère-Orban een commissie had opgericht om het alcoholprobleem te bestuderen. In de 19de eeuw werd bij alcoholproblemen enkel naar arbeiders gekeken. Hoewel ook toen alcoholproblemen in alle lagen van de maatschappij voorkwamen, werden enkel arbeiders geviseerd en gestigmatiseerd. Er werd ook enkel op jenever gefocust, terwijl bier en wijn buiten schot bleven. Vandaar ‘de jeneverellende bij de arbeiders’.

Ook in het rapport van de commissie van de minister van justitie trok die stigmatisering zich door. De arbeiders hadden volgens het rapport een serieus probleem: ‘la question sociale en Flandre’ noemde men dat. Desondanks was de conclusie niet dat de overheid moest ingrijpen. Men legde het probleem volledig bij de arbeiders en stelde dat het vrije initiatief moest optreden om ‘het volk te onderrichten’. Frère Orban was namelijk een doctrinaire liberale minister die uiteraard de belangen van stokerijen en brouwerijen sterk verdedigde. Dit soort overheidsbeleid zie je vandaag nog steeds.

Waarin ziet u vandaag dan dat de overheid veeleer economische belangen beschermt dan maatregelen te nemen?

Joris Casselman: Het is vandaag subtieler dan in de negentiende eeuw, toen brouwers en stokers actief waren in de lokale en nationale politiek. Maar het is toch duidelijk dat wanneer men dit soort problemen probeert op te lossen vanuit een traditionele liberale politieke benadering, men geneigd is om economische belangen voorop te stellen ten nadele van gezondheidsbelangen. Dat is een mechanisme uit de negentiende eeuw dat nu nog steeds een rol speelt. Daardoor nemen politici vaak een zeer ambivalente houding aan wanneer het over alcohol gaat.

Denk bijvoorbeeld maar aan het beperken van de reclame voor alcoholische dranken. Het is een strijd met ongelijke wapens: er worden enorme bedragen geïnvesteerd in alcoholreclame terwijl de overheid slechts minimale initiatieven neemt om alcoholproblemen te beperken, maar de gezondheidsproblemen die ertegenover staan zijn wel enorm. De overheid heeft recent wel meegewerkt aan een zelfregulerend systeem in verband met alcoholreclame, maar als er klachten worden ingediend, worden die meestal verworpen. Er is ook weerstand om de beginleeftijd voor het gebruik van alle alcoholische dranken te verhogen of de kostprijs ervan op te drijven.

Wat is de reden dat de focus in de 19de eeuw enkel op jenever lag als het over alcoholproblemen ging? Was dat de drank van de arbeiders?

Joris Casselman: De productie van jenever nam sterk toe met de industrialisering, waardoor jenever niet zo duur was. In de omgeving van stokerijen hadden de stokers hun eigen herbergen. Het loon van de arbeiders werd daar deels uitbetaald in natura met jenever in cafés die dus door de stokers werden uitgebaat. In die tijd waren er opvallend veel volkse cafés.

De rijkere burgers dronken alcohol, onder meer dure wijnen, in een privésfeer. Ze vertoonden dus minder openbare dronkenschap. Maar in psychiatrische privéklinieken werden verschillende mensen met adellijke familienamen opgenomen voor alcoholproblemen. Zij werden dus weggestopt in een privé-instelling. Daarnaast is het grote verschil tussen de kijk op bier en jenever te verklaren doordat bier in die tijd een laag alcoholgehalte had en een vervangmiddel was voor vervuild drinkwater. Opmerkelijk is dat veel artsen op het einde van de 19de eeuw voor bepaalde ziekten een behandeling met bier of zelfs wijn aanraadden.

Uw boek heet ‘Van jeneverellende tot Tournée Minérale’. Waaraan verdiende Tournée Minérale die plaats in uw titel?

Joris Casselman: Tournée Minérale is een eigentijdse vorm van sensibiliseringscampagne, een samenwerkingsverband van de Stichting tegen kanker en De DrugLijn van VAD. De campagne heeft veel succes en heeft ook duidelijk een veranderend effect gehad, niet alleen bij de deelnemers, maar ook bij de alcoholindustrie die zich enigszins aangepast heeft. Het aanbieden van alcoholvrije en alcoholarme dranken zit duidelijk in de lift.

Daarnaast blijft een evenwichtige mix van verschillende vormen van preventie steeds nodig, zoals VAD ook al decennialang bepleit. Een integrale positieve gezondheidsbenadering is van essentieel belang, maar moet gecombineerd worden met beperkende maatregelen. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan: het verhogen van de beginleeftijd voor het gebruik van alle alcoholische dranken, de prijs van alcohol die momenteel te laag is en een nultolerantie voor alcohol in het verkeer. Maar daar zit je opnieuw met het probleem dat het belang van de volksgezondheid vaak moet wijken voor economische belangen.

Hoe is de manier waarop er vanuit de wetenschap naar alcoholproblemen gekeken wordt veranderd in de afgelopen 150 jaar?

Joris Casselman:Die evolutie is heel geleidelijk gebeurd. Eerst werden alcoholproblemen enkel vanuit een morele benadering bekeken. Na de Tweede Wereldoorlog kwam het ziektemodel naar voor. Later in de jaren zestig en zeventig kreeg je het psychologisch model, het sociaal model en het maatschappijkritisch model. Tijdens de laatste decennia werd het hersenmodel van toenemend belang. Dit stelt dat welbepaalde hersencircuits een belangrijke rol spelen in het ontwikkelen van elke vorm van verslaving. Ook het herstelmodel krijgt de laatste tijd veel meer aandacht.

Met al die wetenschappelijke modellen lijkt het alsof er steeds een nieuw model komt dat het vorige model vervangt. Het is echter heel belangrijk dat men de verschillende modellen samen hanteert: dat men neurofysiologisch allerlei nieuwe zaken ontdekt heeft, betekent niet dat psychologische of maatschappelijke benaderingen niet meer van belang zijn. In de dagelijkse praktijk moet men een gelaagd model hanteren. Het blijft noodzakelijk rekening te houden met het mens-middel-milieu-model: de eigenschappen van de individuele gebruiker, zijn kwetsbaarheden, zijn sociale context, de effecten van het middel en de beschikbaarheid ervan spelen allemaal een rol in of iemand al dan niet problemen ontwikkelt.

Hebben die wetenschappelijke inzichten ook gezorgd voor minder stigmatisering van mensen die in de problemen komen met alcohol?

Joris Casselman: Dat wel, maar daartegenover staat dat de algemene sociale perceptie van alcohol zeer ambivalent blijft. Het is een alomtegenwoordig genotmiddel. Als er gevierd of gefeest wordt in onze maatschappij komt daar steeds alcohol aan te pas. Maar het is wel een heel toxische stof. Wie er dan mee in de problemen komt, gaat men schuin bekijken. Zo lang iemand excessief drinkt, maar wel gezellig en plezant blijft, benadert men dat positief, maar zodra het over manifeste problemen of verslaving gaat, zal men die persoon eerder verwerpen.

Alcoholproblemen beginnen vaak heel subtiel en komen geleidelijk tot stand.

In de publieke opinie heerst ook een zeer stereotiep beeld over wat verslaving is, terwijl alcoholproblemen meestal heel subtiel beginnen en geleidelijk tot stand komen. Het kan een chronische aandoening worden, waarbij mensen evolueren met vallen en opstaan. Hervallen maakt dus deel uit van dat proces. Maar wanneer iemand een aantal keer hervalt, gaat men er nogal snel vanuit dat er niets aan te doen is. Die persoon heeft een zwak karakter en wil niet veranderen.

Zelfs bij hulpverleners die niet met het thema alcohol bezig zijn, leeft vaak nog het idee dat er weinig aan te doen is als het een ‘echte alcoholist’ is. Een rode draad doorheen de 150 jaar is dat de benadering van alcoholproblemen zeer lang in die negatieve sfeer is blijven hangen en die negatieve houding bestaat vandaag enigszins nog steeds.‘

Hoe zag u de hulpverlening de afgelopen 150 jaar evolueren?

Joris Casselman: Dit wordt uiteraard in mijn boek in detail beschreven. In de 19de eeuw bestond er helemaal geen specifieke hulpverlening. Mensen met alcoholproblemen werden vaak opgesloten, meestal in de psychiatrie. Of ze kwamen in de gevangenis terecht omdat ze storend gedrag vertoonden. Sommigen werden ook in landloperskolonies ondergebracht. Meer bestond er toen niet.

In het begin van de jaren 1950 werd de AA in ons land geïntroduceerd en vanaf eind 1950 de eerste ambulante consultatiebureaus voor alcoholisten, die later deel gingen uitmaken van de centra voor geestelijk gezondheidszorg. In de loop van de jaren zestig, zeventig en tachtig kwamen er in toenemende mate ontwenningsprogramma’s tot stand in open afdelingen in de psychiatrische ziekenhuizen.

De laatste decennia kwam het tot een uitgebreide waaier aan mogelijkheden binnen de hulpverlening. Daarbij heb je zowel laagdrempelige vormen van hulpverlening - zoals onder meer online hulp, crisishospitalisatie en dagbehandeling - als meer intensieve residentiële programma’s met nabehandeling. Het specifiek ambulante aanbod werd in een breder geheel geïntegreerd. Wel kampen zowel de ambulante als residentiële sector momenteel met steeds langere wachtlijsten. Daardoor heeft er zich, voor wie het kan betalen, ook een commercieel circuit geïnstalleerd. Naarmate het capaciteitstekort toeneemt, zal dit verder uitbreiden. Het is belangrijk dat men er werk van maakt in de reguliere voorzieningen om de wachtlijsten en wachttijden in te perken. Dat kan bijvoorbeeld met netwerken waarin verschillende voorzieningen in een regio intensief samenwerken.

Het is uiteraard zo dat de hulpverlening en preventie een continuüm vormen. De preventie die voorheen uit vrijwilligerswerk bestond heeft vooral vanaf de jaren 1980 en tot op heden, mede onder impuls van de VAD, een indrukwekkend professionaliseringsproces doorgemaakt.

Ziet u als criminoloog een verband tussen alcohol en crimineel of agressief gedrag?

Joris Casselman: Bij ernstige verkeersongevallen, intrafamiliaal geweld en andere geweldmisdrijven is alcohol vaak een belangrijke factor naast andere factoren. Daders van dergelijke misdrijven moeten vanuit de strafrechtsbedeling zoveel mogelijk naar preventieve en hulpverlenende initiatieven georiënteerd worden en dit zowel door de politie als door de rechtbank en de gevangenis.

Zou u met al het onderzoek dat u gedaan heeft, stellen dat we er sterk op vooruitgegaan zijn sinds 1868?

Joris Casselman: Er is een enorme metamorfose tot stand gekomen in positieve zin. De mogelijkheden binnen de preventie en de hulpverlening zijn enorm uitgebreid. Toch blijven een aantal knelpunten hardnekkig bestaan: het ambivalente statuut van alcohol, de stigmatisering van mensen met alcoholproblemen, het spanningsveld tussen gezondheid en economische belangen, een onevenwichtige mix van opvoedende en beperkende preventieve maatregelen, zeer veel mensen met alcoholproblemen zonder adequate behandeling en een nood aan meer wetenschappelijk onderzoek. Ik hoop dat mijn boek aanknopingspunten biedt om de kwaliteit van de aanpak van alcoholproblemen in Vlaanderen te optimaliseren.

Wie graag meer leest, kan het boek van Joris Casselman 'van jeneverellende tot Tournée Minérale' kopen aan een voordeelprijs van 39 euro inclusief gratis verzending. Interesse? Stuur dan een mailtje met je bestelling en je adresgegevens naar vad@vad.be.

Ebe Daems
Communicatie