Drughulpverlening voor migranten en etnische minderheden: het MATREMI-project

Eind 2019 eindigde het MATREMI-project. MATREMI is een afkorting van ‘Mapping and enhancing substance use treatment for migrants and ethnic minorities’. Het doel van het MATREMI-project was tweeledig. Enerzijds wou het project de Belgische drughulpverhulpverlening informeren over hoe etniciteit- en migratiegerelateerde indicatoren geregistreerd en verwerkt worden in de EU-28 lidstaten om op die manier monitoring te optimaliseren.

Het tweede doel van MATREMI was om in België en de rest van Europa, bestaande good practices te belichten. Het gaat om praktijken waarmee de drughulpverlening zich beter kan afstemmen op de noden van migranten en etnische minderheden (MEM): zowel om deze doelgroepen te bereiken als om laagdrempeliger toegankelijk te zijn en ervoor te zorgen dat MEM hun hulpverleningstraject blijven volhouden.

MAPPING: Registratie en monitoring van MEM in de Belgische hulpverlening

Het MATREMI-project wou tegemoetkomen aan de beperkte beschikbaarheid van gevevens over migratie en etniciteit in de drughulpverlening. Die gegevens zijn immers noodzakelijk om een goed beeld te krijgen over de situatie van de doelgroep in de drughulpverlening en om ongelijkheden in kaart te brengen. Gegevens over druggebruikers die met behandelingscentra in contact komen worden in de EU-lidstaten verzameld in het TDI-register, voluit Treatment Demand Indicator-register. Sinds 2015 werd de indicator ‘nationaliteit’ echter verwijderd uit het Belgisch TDI-register omdat deze indicator werd verwijderd uit het Europese TDI-register.

Een bevraging in alle EU-28-lidstaten toonde aan dat een derde van de landen desondanks wel degelijk gegevens over nationaliteit verzamelde in 2017. Ten minste vier lidstaten verzamelden ook gedetailleerderde data, zoals geboorteplaats, etniciteit, nationaliteit bij geboorte of de keuzemogelijkheid EU/niet-EU bij de geboorte (De Kock, 2019b).

Wat België betreft, blijkt uit het onderzoek dat de gegevens niet op een eenduidige manier verzameld worden. In de Belgische drughulpverlening variëren de gebruikte indicatoren sterk tussen de verschillende registratiesystemen. Denk daarbij bijvoorbeeld maar aan het Elektronisch patiëntendossier (CGG), CIS (VVBV Vlaamse Vereniging van Behandelingscentra Verslaafdenzorg), MSOC.net, … Door het gebruik van uiteenlopende indicatoren, zijn de data weinig tot niet vergelijkbaar.

Het MATREMI-onderzoeksteam formuleerde op basis van de Belgische en de Europese bevraging een voorstel voor het registreren van migratieachtergrond in de TDI-databank. Daarbij stellen de onderzoekers drie verschillende niveaus voor om de data te registreren: minimum-, medium- en diepteregistratie. Minimum omvat enkel de ‘nationaliteit’, medium zou daarnaast ook bestaan uit ‘geboorteland en geboorteland moeder en vader’ en de diepteregistratie omvat bijkomend de thuistaal, de omgangstaal en eventueel een derde taal. Hoewel dit type gegevens als gevoelig wordt beschouwd, is de registratie en verwerking ervan toegelaten in het huidig privacy and GDPR wetgevend kader.

Over het registreren van deze gegevens en de concrete aanbevelingen kan je meer lezen in Migration and ethnicity related indicators in European drug treatment demand (TDI) registries.

ENHANCING: Inspirerende praktijken in de EU-28 lidstaten en België

De onderzoekers stelden vast dat er in de Belgische drughulpverlening geen gestroomlijnde acties bestaan om tegemoet te komen aan de noden van MEM-cliënten. Daarom brachten ze inspirerende praktijken uit België en andere EU-lidstaten in kaart.

De studie van ongelijkheden of discrepanties in de drughulpverlening hield rekening met drie verschillende niveaus: micro, meso en macro (een ecosociaal perspectief, meer info: De Kock, 2020b). Op microniveau hebben we cliënt en de hulpverlener. Op mesoniveau gaat het bijvoorbeeld over de dienstverlening in de hulpverlening of de positie als etnische minderheid. Het macroniveau gaat dan weer over het beleid en de dominante visie op de drughulpverlening.

Uit het onderzoek en vanuit het kruispuntenperspectief blijkt dat barrières in de drughulpverlening zich niet uitsluitend situeren op het ene of het andere niveau, maar eerder op kruispunten tussen deze niveaus. Deze kruispunten worden toegelicht aan de hand van voorbeelden. Denk bijvoorbeeld aan de individuele gevolgen van gepercipieerde discriminatie maar ook taalproblematieken die zich stellen in de drughulpverlening. Het is dan ook belangrijk om de individuele problemen bij cliënten die zich in deze doelgroep situeren, in een breder kader te zien.

Uit het MATREMI-onderzoek blijkt dat er weinig tot niets geweten is over de prevalentie van middelengebruik bij MEM-populaties in België en Europa. Het implementeren van doelgerichte steekproeftrekking in de nationale gezondheidsenquêtes of het uitvoeren van bijkomende bevragingen is dan ook een van de MATREMI-aanbevelingen. Gegevens over prevalentie vertellen evenwel niet het hele verhaal en zijn daarom geen wondermiddel. Zo is er bijvoorbeeld een consensus over het feit dat prevalentie van middelengebruik bij personen met een migratieachtergrond na verloop van tijd vergelijkbaar wordt met de prevalentie in de algemene bevolking (meer info: De Kock, 2020a).

Toch moeten we er rekening mee houden dat personen met een migratieachtergrond vaak aan meerdere risicomechanismen worden blootgesteld in vergelijking met de algemene bevolking. Bijkomend komt het posttraumatisch stressyndroom, een risicofactor voor middelengebruik, beduidend meer voor bij vluchtelingen. De lagere toegang tot gezondheidszorg voor sommige MEM en de hogere prevalentie van risicofactoren die middelengebruik en behandelingsverschillen beïnvloeden, werden geïdentificeerd als samenhangende thema’s die kunnen leiden tot ongelijkheden in de drughulpverlening.

Eveneens bevestigt dit onderzoek dat er een hiaat is in zowel het onderzoek naar als de praktijk van de residentiële drughulpverlening voor MEM. Kennis- en expertisedeling tussen laag- en hoogdrempelige diensten is dus een piste die verkend kan worden in het kader van de vermaatschappelijking van de zorg.

Een goed begrip van de risicomechanismen en een klare kijk op de hiaten in het hulpverleningslandschap zijn zeer belangrijke pijlers voor een goed drughulpverleningsbeleid en doeltreffende hulp voor de verschillende MEM-populaties. Toch blijft de onduidelijkheid over de dominantie van bepaalde risicofactoren en hun onderling causaal verband een tekortkoming in bestaand onderzoek: meer onderzoek naar verklarende mechanismen voor probleemgebruik en herstel bij subgroepen is dan ook noodzakelijk.

Wegwijzer voor een toegankelijke en interculturele drughulpverlening

Vanuit het ‘enhancing’ luik van het onderzoek lanceerde het MATREMI onderzoeksteam op 13 december 2019 de ‘Wegwijzer voor een toegankelijke en interculturele drughulpverlening'. De wegwijzer vind je via deze link. Het volledige MATREMI rapport en bijkomende informatie is te consulteren via deze link. Gelieve contact op te nemen met de auteur voor meer informatie of toelichting bij de resultaten.

Specificaties van het onderzoek

Dit onderzoeksproject werd uitgevoerd over een periode van acht maanden (maart – oktober 2019) met fondsen van het Federaal Wetenschapsbeleid (Belspo). De fondsen werden toegekend aan het Instituut voor Sociaal Drugsonderzoek (Universiteit Gent, Charlotte De Kock, prof. Tom Decorte) in samenwerking met de Vrije Universiteit Brussel (prof. Dirk Jacobs, Carla Mascia), het Vlaams expertisecentrum voor Alcohol en andere Drugs (VAD) (Fred Laudens, Lyssa Toyinbo), de Brusselse Federatie voor druggebruikers (Stéphane Leclerq) en de Waalse Federatie voor diensten aan druggebruikers (Pascale Hensgens).

MATREMI is een vervolg studie van het PADUMI-onderzoeksproject (patronen van druggebruik onder migranten en etnische minderheden). Aan de Universiteit Gent lopen momenteel twee vierjarige onderzoeksprojecten die op dit thema focussen: een project over de toegankelijkheid van de drughulpverlening voor MEM (Charlotte De Kock) en een project dat de ervaringen van MEM in herstel in kaart brengt (Aline Pouille).

Het eindrapport wordt binnenkort op de Belspo-website gepubliceerd.

Meer lezen

Blomme, E., Colman C., & De Kock, C. (2017) De instroom van migranten en etnische minderheden in de drughulpverlening: Een verkennende studie.Panopticon, 38(2), 102-117

De Kock, C. (2019a). Cultural competence and derivatives in substance use treatment for migrants and ethnic minorities: What’s the problem represented to be? Social Theory & Health, Advance online publication. doi:10.1057/s41285-019-00113-0

De Kock, C. (2019b). Migration and ethnicity related indicators in European drug treatment demand (TDI) registries. Journal of Ethnicity in Substance Abuse, Advance online publication. doi:10.1080/15332640.2019.1664962

De Kock, C. (2020a). Migrants, refugees and ethnic minorities: an overview of responses to drug-related issues in Europe. Background paper commissioned by EMCDDA.

De Kock, C. (2020b). Risk factors and dangerous classes in a European context: The consequences of ethnic framing of and among Turkish drug users in Ghent, Belgium. In B. Thom & S. MacGregor (Eds.), Risk and substance use: framing dangerous people and dangerous places. New York / Oxon: Routledge.

De Kock, C., Blomme, E., & Antoine, J. (in review). European and third-country non-national clients in Belgian substance use treatment: Exploring treatment demand data. European Journal of Public Health.

De Kock, C., Toyinbo, L., Laudens, F., Alexandre, S., Hensgens, P., Marscia, C., . . . Decorte, T. (2020). Migrants et minorités ethniques: Receuil sur l'accesibilité et l'interculturalité des services pour usagers de drogues / Wegwijzer voor een toegankelijke en interculturele drughulpverlening. Antwerp: Gompel & Svacina.

Charlotte De Kock