VAD-Leerlingenbevraging in het kader van een drugbeleid op school

Terug naar alle onderzoeken

Samenvatting

De leerlingenbevraging is in eerste instantie een methodiek voor secundaire scholen die het werken rond een beleid op school ondersteund. Met de persoonlijke resultaten kan er beter ingeschat worden wat er leeft op school rond middelengebruik.

Op basis van de ongeveer 40.000 vragenlijsten die jaarlijks worden verzameld, wordt een syntheserapport geschreven. Het syntheserapport schetst een beeld van wat er bij de jongeren in het secundair onderwijs leeft en is een instrument waarmee de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen op het vlak van tabak, alcohol en illegale drugs worden opgevolgd.

Doelstelling

De leerlingenbevraging is een instrument waarmee scholen een zicht krijgen op het middelengebruik en de leefwereld van de leerlingen. De bevraging is opgesteld volgens de pijlers van een drugbeleid (regelgeving, begeleiding, educatie & structurele maatregelen) en biedt de school over elk van deze onderdelen informatie waarmee ze haar beleid kan uitwerken of bijsturen. Verder is de leerlingenbevraging een instrument om de participatie van leerlingen aan het drugbeleid op school te verhogen door de behoeftes en meningen van de leerlingen zichtbaar te maken. Bovendien biedt de bevraging ook een goed fundament voor het creëren van een draagvlak voor het drugbeleid.

Onderzoekspopulatie

Leerlingen secundair onderwijs in Vlaanderen (ASO, TSO, BSO, KSO, DBSO).

Voornaamste resultaten

De laatst beschikbare resultaten bespreken het schooljaar 2015-2016.

De meerderheid van de leerlingen onder de 16 jaar heeft nog nooit alcohol gedronken (55,4%). Dat is een gunstige evolutie tegenover tien jaar geleden, toen 76,7% al alcohol had gedronken voor hun 16e levensjaar. Jongeren zijn ook goed op de hoogte van de wetgeving hierover. Maar liefst 96,1% weet dat alcohol verboden is onder de 16 jaar. Dit wettelijke verbod geldt voor velen ook als argument om geen alcohol te drinken: 55,6% van de jongeren onder de 16 geven aan dit niet te doen omdat alcohol drinken op hun leeftijd verboden is. Maar na 16 jaar stijgt de prevalentie voor alcohol. Terwijl 36,2% van de 12-14-jarigen ooit al alcohol dronk, verdubbelt dit tot 75,0% bij de 15-16-jarigen. Bij jongeren tussen 17 en 18 jaar drinkt 31,0% regelmatig alcohol. Maar gelukkig zijn er ook bij de oudere leerlingen gunstige evoluties zichtbaar. Zo dalen zowel bij de 15-16-jarigen als bij de 17-18-jarigen het ooitgebruik, het laatstejaarsgebruik én het regelmatig gebruik van alcohol. Ook inzake dronkenschap is er beterschap: tussen 2010-2011 en 2014-2015 was er een aanhoudende stijging van het aandeel leerlingen dat in het voorgaande jaar dronken was. In schooljaar 2015-2016 zien we voor het eerst een kentering. Bij de 15-16-jarigen daalt voor dronkenschap het aandeel van 38,4% in 2015 naar 32,2% in 2016, bij de 17-18-jarigen is dat van 60,2% naar 52,7%. Deze gunstige evoluties nemen evenwel niet weg dat er blijvend preventieve aandacht moet gaan naar alcoholgebruik onder jongeren. De VAD-richtlijn inzake alcoholgebruik raadt alcoholgebruik onder 18 jaar af. Toch heeft een meerderheid van de minderjarigen (58,1%) al alcohol gedronken. Ook het feit dat 30,8% van de 17-18-jarigen regelmatig aan bingedrinking doet en in diezelfde leeftijdsgroep 5,5% regelmatig dronken is, toont aan dat er nog een weg af te leggen is.

In 2015-2016 geeft 25,5% van de jongeren aan ooit gerookt te hebben. 19,3% heeft het laatste jaar gerookt en 7,4% is een regelmatige roker. Tussen schooljaren 2005-2006 en 2015-2016 is het ooitgebruik gedaald van 39,4% naar 25,5%. Het aandeel jongeren dat tijdens het voorgaande jaar gerookt heeft is ongeveer stabiel gebleven. De gemiddelde beginleeftijd voor roken is licht gedaald naar 14,6 jaar. Daar staat tegenover dat ongeveer een derde van de rokers nog na hun 15e beginnen roken, dat - ondanks wettelijk verbod - 13,5% van de -16-jarigen al minstens 1 sigaret heeft gerookt en dat 13,5% van de 17-18-jarigen een dagelijkse roker is. De verschillen tussen de onderwijsvormen springen sterk in het oog, met beduidend meer rokers in het BSO, gevolgd door het TSO.

14,6% van de jongeren heeft ooit cannabis gebruikt. Dat is een tweede opeenvolgende daling. In vergelijking met tien jaar geleden is het ooitgebruik licht gedaald van 16,1% naar 14,6%. Het laatstejaarsgebruik van cannabis fluctueerde de laatste jaren rond de 11% en dat is in 2015-2016 niet anders. We kunnen dus niet over een delende trend spreken. Dit, ondanks het feit dat cannabisgebruik minder evident blijkt te zijn in de jongerenwereld. Niet alleen ligt de subjectieve beschikbaarheid - i.c. denken dat je makkelijk aan cannabis kan geraken - in 2015-2016 veel lager dan in 2007-2008 (van 38,8% naar 23,8%), ook het aandeel jongeren dat van de vrienden een afkeurende reactie verwacht bij het proberen van cannabis is de laatste jaren aan het stijgen (van 64,5% in 2012-2013 naar 69,6% in 2015-2016). Traditioneel gebruiken meer jongens het laatste jaar cannabis (13,8%) dan meisjes (7,7%).

Andere illegale drugs dan cannabis worden zelden gebruikt, met een ooitgebruik van 3,5% en een laatstejaarsgebruik van 2,2%. Zelfs in de oudste leeftijdsgroep komt laatstejaarsgebruik van deze middelen amper voor. Bij de meeste gebruikte middelen xtc en cocaïne ligt dat aandeel bij de 17-18-jarigen op 2,5%. Regelmatig gebruik van deze illegale drugs komt amper voor.

6,4% van de jongeren nam het laatste jaar een slaap- of kalmeringsmiddel en 5,3% nam het laatste jaar medicatie voor ADHD. Het gebruik van psychoactieve medicatie verandert over de jaren bij deze doelgroep niet spectaculair. Enige alertheid is op zijn plaats als we het verband tussen medicatiegebruik en andere vormen van middelengebruik bekijken. Zo vertonen jongeren die ADHD-medicatie of slaap- en kalmeringsmiddelen nemen meer kans om in de voorafgaande maand tabak en cannabis te gebruiken en om ooit andere illegale drugs dan cannabis te gebruiken.

Wat het gokken betreft, zijn sportweddenschappen (laatste jaar: 9,8% vs. 1,4%) en pokeren (laatste jaar: 8,7% vs. 1,7%) bij jongens populairder dan bij meisjes. Naarmate de leerlingen ouder worden, neemt de prevalentie van alle gokvormen toe maar bij sportweddenschappen en pokeren geldt dat nog sterker dan bij krasbiljetten, bingo of lotto. Tussen de drie grote onderwijsvormen zijn er eerder kleine verschillen. Wel komen spelen op bingokasten en op sportweddenschappen vaker voor in TSO en BSO dan in ASO.

Gamen tenslotte is duidelijk een jongenszaak, waarbij geldt: hoe ouder, hoe minder vaak er wordt gegamed. De B-stroom en BSO tellen proportioneel het minste gamers, maar tegelijk het hoogste aandeel gamers dat gemiddeld meer dan 2 uur per dag met games bezig is.

Output

Rosiers, J. (2017). VAD-leerlingenbevraging in het kader van een drugbeleid op school (schooljaar 2015-2016). Brussel: VAD.

Online artikels & rapporten

Contact

VAD
Nina De Paepe
02 422 03 75 - nina.depaepe@vad.be

Algemene info

Looptijd

Startdatum 06/12/2016
Einddatum 31/12/2021
Doorlopend project

Methode

Enquête - schriftelijk

Type

Surveyonderzoek

Gefinancierd door

Vlaamse gemeenschap (bv. FWO …)

Product

Tabak
Alcohol
Illegale drugs
Psychoactieve medicatie
Gokken
Internet / gaming

Discipline

Epidemiologisch onderzoek

Regio

Vlaams

Status

Lopend

Datum laatste wijziging: 24/07/2017
Dit item aanpassen