Alcohol is overal

27/01/2017

Dat lijkt toch het geval wanneer je momenteel een krant openslaat, de radio beluistert of naar TV kijkt. Je merkt verkrampte reacties op (‘géén alcoholverbod, géén alcoholprobleem in het parlement’,) en ook ‘Wat een betutteling, nu mogen we zelfs niet meer dan 10 glazen per week drinken’.

Sensibiliseren over alcohol

Sensibilisering omtrent alcoholgebruik is niet hetzelfde als een oproep voor een alcoholverbod op elke plaats en in elke context. Wel is het de bedoeling om de bevolking te informeren omtrent de gezondheidsrisico’s van alcoholgebruik met duidelijke en onderbouwde informatie. Alcohol drinken is heel normaal geworden. Een glas wijn bij het eten, een pint na het sporten, voor velen maakt het deel uit van de (dagelijkse) routine. Toch zijn er heel wat risico’s verbonden aan alcohol: alcohol heeft invloed op bijna alle organen in het lichaam en hangt samen met ongeveer tweehonderd verschillende aandoeningen. De relatief onschuldige kater is daar één van, maar er is ook een verband met heel wat ernstigere gezondheidsklachten, zoals een black-out, hartklachten, leveraandoeningen en kanker.

Daarom organiseert het Vlaams expertisecentrum voor Alcohol en andere Drugs in samenwerking met de Stichting tegen Kanker ‘Tournée Minérale’. De campagne beoogt dat volwassenen eens stil staan bij hun alcoholgebruik, en hen doet beseffen hoe snel ze onder normale omstandigheden een glas drinken, uit gewoonte. (www.tourneeminerale.be)

Ook de nieuwe VAD-richtlijn is een preventieve boodschap voor de volwassen bevolking. De richtlijn slaat een brug tussen de risico’s die alcoholgebruik met zich meebrengt, en de realiteit van het ingeburgerde alcoholgebruik. De richtlijn stelt dat je best niet meer dan 10 standaardglazen per week drinkt om de risico’s van alcoholgebruik te beperken. Enkel op basis van dat aantal standaardglazen kan je niet bepalen of iemand al dan niet een problematische drinker is – daarvoor kijk je ook naar de ernst van de gevolgen – maar het kan wél een belangrijke indicator zijn. VAD beklemtoont hierbij dat elke richtlijn arbitrair is en dat een ‘veilige ondergrens voor alcoholgebruik’ vastleggen onmogelijk is. Bovendien hangt de ernst van de risico’s af van de situatie (in het verkeer, op het werk, ...) en de persoonlijke kwetsbaarheden (jongeren, zwangere vrouwen, ouderen, ...).

Alcohol op de werkvloer

En dan komen de reacties omtrent alcoholgebruik in de werkcontext in het vizier. Problematisch gebruik stopt immers niet aan de deur van een organisatie, ook niet die van het parlement. De werkplek is de wereld in het klein. VAD werkt momenteel mee aan een grootschalig prevalentieonderzoek van KU Leuven (1) omtrent het gebruik van alcohol en andere drugs door de werkende bevolking in België. Dit onderzoek beoogt voor het eerst de werkgerelateerde gevolgen (bv. werkverzuim, arbeidsongevallen, minder goed functioneren) van alcohol- en ander druggebruik in kaart te brengen.

Voor bedrijven stelt zich de vraag ‘wat is problematisch alcoholgebruik’ en ‘wat kunnen we daar als bedrijf aan doen’? Bedrijven dienen zich in de eerste plaats te richten op het functioneren of het arbeidsgedrag, niet op het alcoholgebruik zelf (dat zich overigens meestal buiten de werkplaats voordoet). Wijzigingen in de prestaties van de betrokkene (moeten) leiden tot een interventie. Functioneringsproblemen ten gevolge van alcoholgebruik (of van ander druggebruik) worden dus behandeld zoals alle andere functioneringsproblemen. Een dergelijke interventie is objectief en correct: een werknemer wordt immers verondersteld zijn werk naar behoren te doen. Ze is ook efficiënter: feiten zijn moeilijker te ontkennen. De baten van een dergelijke aanpak zijn er zowel voor de werknemer, als voor de werkgever, de collega’s en derden. In welke mate ‘goed functioneren’ samen kan gaan met alcohol of andere drugs, is bij uitstek te definiëren in een alcohol- en drugbeleid: zo zal bijvoorbeeld een occasioneel glas wijn bij de lunch voor de meeste mensen geen probleem zijn. Kom je nadien in contact met derden en tast ruiken naar alcohol je geloofwaardigheid aan, dan is dat wel een probleem. Regelgeving omtrent de beschikbaarheid van alcohol op de werkvloer houdt rekening met de opdrachten en de alcoholcultuur die in elke organisatie anders zijn. Heel wat organisaties hebben een voorbeeldfunctie omdat ze de burger informeren omtrent alcoholgebruik (bv. VAD zelf), wetten maakt omtrent alcoholgebruik (bv. het parlement), of de naleving ervan controleert (bv. politie).

Regelgeving, procedures, ondersteuning en voorlichting: onderzoek leert ons dat dergelijk ‘multicomponentenbeleid’ met verschillende pijlers succesvol is.

Voor dergelijk beleid kunnen zowel private als publieke organisaties zich baseren op de welzijnswet. Bijkomend sloten de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad (NAR) een collectieve arbeidsovereenkomst ‘betreffende een preventief alcohol- en drugsbeleid in de onderneming’, de zogenaamde Cao 100. Daardoor moeten alle bedrijven uit de private sector sinds 1 april 2010 een alcohol- en drugbeleid hebben. Het sluiten van dit interprofessioneel akkoord resulteerde in een brede aanvaarding in de diverse echelons van het bedrijfsleven. Heel wat publieke organisaties lieten zich voor hun beleid door deze cao inspireren. Maar door het enkel verplicht maken van de beleidsverklaring (de eerste fase van de cao) blijven in de meeste bedrijven concrete initiatieven uit (fase 2 is facultatief). Nochtans is fase 2 cruciaal om een efficiënt beleid te realiseren. Regelgeving, procedures, ondersteuning en voorlichting: onderzoek leert ons dat dergelijk ‘multicomponentenbeleid’ met verschillende pijlers succesvol is. Wie enkel een beleidsverklaring heeft, staat eigenlijk met lege handen. En treedt, net als voor de komst van de cao, enkel op als het niet anders kan: ad hoc, weinig planmatig, laattijdig en daardoor weinig efficiënt.

Kortom, een warme oproep voor de private sector om werk te maken van de concretisering van een alcohol (en drug-)beleid. En een nog warmere oproep om een analoge regeling uit te werken voor de publieke sector en voor personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs.


VOETNOOT

(1) Onderzoek KU Leuven, Omgeving en Gezondheid in samenwerking met de externe preventiediensten IDEWE en CESI, in het kader van het doctoraatsonderzoek van MC Lambrechts (promotor Prof. Dr. Lode Godderis)

Marijs Geirnaert
Directeur VAD

Marie-Claire Lambrechts
Coördinator sector arbeid